CDA en PvdA waren nooit politieke vrienden
Balkenende IV, het kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie,
is gevallen omdat het onderlinge vertrouwen volkomen was verdwenen. Het wantrouwen tussen PvdA'ers en CDA'ers was te groot. Afgelopen eeuw stonden de twee partijen geregeld tegenover elkaar. Een overzicht van alle kabinetten met socialisten en confessionelen, plus achtergronden bij de problemen.
Alleen bij uiterste noodzaak
Met de opkomst van onder meer het socialisme en de protestants-christelijke politiek in de negentiende eeuw veranderde Nederland in een verzuilde samenleving. De leiders van de zuilen bepaalden tot ver in de twintigste eeuw wat hun achterban allemaal wel en niet mocht doen en vinden. Zo verkondigden bisschoppen in 1921 dat katholieken in geen geval met socialisten mochten samenwerken. In 1926 was er kans op een regering van katholieken en sociaaldemocraten, maar de fractieleider van de katholieken Willem Hubert Nolens (1860 – 1931) zei dat alleen in 'uiterste noodzaak' kon worden samengewerkt met socialisten. Ofwel: alleen als geen enkele andere optie mogelijk is, komen de socialisten in beeld.
Leerstuk van Daudt
Later in de twintigste eeuw zette de moeizame samenwerking tussen de sociaaldemocraten en de christelijke partijen Den Haag-watchers aan het denken: waarom liggen die twee stromingen elkaar niet? Het 'leerstuk van Daudt' is een bekende analyse van de situatie. De Amsterdamse hoogleraar politicologie Hans Daudt (1925 – 2008) greep daarin terug op de Nolens-doctrine: confessionele partijen moesten samenwerking met sociaaldemocraten zo veel mogelijk vermijden. Alleen als er sprake was van 'uiterste noodzaak' mochten christelijke partijen naar links kijken, in plaats van naar rechts, meende de sociaaldemocratische Daudt. Volgens critici van Daudts leerstuk werd de stelling een selffulfilling prophecy: er waren geen wetenschappelijke bewijzen dat de confessionelen liever met rechts dan met links in zee gingen, maar de socialisten geloofden er wel in. Daardoor stelden zij zich steeds moeilijker op tegen de confessionelen, waardoor die inderdaad steeds minder zin in samenwerking met de sociaaldemocraten kregen.
Zonder vreugde
Wat de precieze reden voor de moeizame samenwerking ook is: feit is dat PvdA en CDA (inclusief de voorgangers van het CDA) veel met elkaar gebotst hebben. Als twee grote middenpartijen kwamen ze vaak weer bij elkaar uit, maar met vreugde ging het vrijwel nooit. De spanningen liepen steeds weer hoog op, en geregeld viel het kabinet voor het einde van de geplande termijn.
Kabinet De Geer II (1939 – 1940)
De sociaaldemocratische SDAP was na de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 een flinke partij in de Tweede Kamer geworden. Alleen mochten de socialisten steeds maar niet meeregeren: voor de christelijke partijen was dat een stap te ver. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog kwam daar verandering in. Op bijzonder verzoek van koningin Wilhelmina stelde Dirk Jan de Geer (1870 - 1960) in 1939 een kabinet samen met daarin vertegenwoordigers van verschillende religieuze stromingen én twee sociaaldemocraten. Na de Duitse inval in mei 1940 vertrok de regering naar Londen. Daar viel het kabinet nadat koningin Wilhelmina het vertrouwen in De Geer opzegde, omdat hij te weinig geloofde in een geallieerde eindoverwinning. Maar de eerste samenwerking tussen christelijke politici en socialisten was in ieder geval niet op een interne mislukking uitgelopen. In tijden van crisis hadden de leiders van de stromingen elkaar gevonden.
Kabinetten Drees I, II, III & IV (1948 – 1958)
Ook na de Tweede Wereldoorlog bewezen confessionelen en socialisten te kunnen samenwerken in tijden van crisis. Nederland werd weer opgebouwd na de oorlog. Onder leiding van PvdA'er Willem Drees (1886 - 1988) werkten socialisten en confessionelen van 1948 tot 1958 samen. De onderlinge verschillen waren minder belangrijk dan de wederopbouw. Maar toen Nederland eind jaren vijftig weer een beetje op de been was, staken die verschillen onmiddellijk weer de kop op. In het laatste kabinet Drees (1956 – 1958) liepen de spanningen tussen katholieken en socialisten steeds verder op. In december 1958 barstte de bom. De Rooms-rode coalitie was voorbij. De directe aanleiding voor de val was een strijd over belastinghervormingen. Maar de ware redenen lagen dieper. Al in de verkiezingstijd en tijdens de formatie vertrouwden PvdA en KVP elkaar niet meer. Daarnaast had de PvdA bij staten- en gemeenteraadsverkiezingen in 1958 flink verloren. De situatie stond voortdurend op scherp, en een voortijdig einde bleek onvermijdelijk.
Kabinet Cals (1965 – 1966)
Na het uit elkaar klappen van Drees IV duurde het tot 1965 voordat de PvdA weer in een kabinet kwam. De verwachtingen van het kabinet onder leiding van Jo Cals (1914 - 1971) waren hooggespannen: de bijnaam was het 'kabinet van sterke mannen'. Er waren veel ambities, en de verwachting was dat de partijen zeker twee termijnen samen zouden regeren. Maar dat pakte anders uit. Al in 1966 blies KVP-fractievoorzitter Norbert Schmelzer het kabinet op. Dat was het begin van de verdere polarisatie. De PvdA was zwaar beledigd door de KVP'ers en schoof nog meer op naar links. Op het partijcongres van 1969 werd zelfs een motie aangenomen die samenwerking met de KVP afwees: dat nooit weer!
Kabinet Den Uyl (1973 – 1977)
In het kabinet Den Uyl hadden progressieve partijen de meerderheid. Dat maakte minister-president Joop den Uyl (1919 - 1987) zijn confessionele collega's ook geregeld duidelijk. Als ze het ergens niet mee eens waren, was het 'slikken of stikken'. Tegen het einde van de regeerperiode kwam het tot een zware botsing tussen PvdA en CDA, een nieuwe partij waarin confessionelen samen optrokken. Toen oorlogsmisdadiger Pieter Menten aan vervolging leek te ontkomen, zette de Tweede Kamerfractie van de PvdA keihard de aanval in op minister van Justitie en CDA-lijsttrekker Dries van Agt. Hij noemde dit 'Actie beschadiging lijsttrekker CDA, hoofdstuk 1'. Niet lang daarna viel het kabinet, twee maanden voor de verkiezingen. De verhoudingen tussen Van Agt en Den Uyl waren volkomen verzuurd. Na de verkiezingen was de PvdA weer de grootste, maar de partij kwam er niet uit met het CDA, waarna de christendemocraten een kabinet met de VVD vormden.
Kabinet Van Agt II (1981 – 1982)
Vier jaar later waren de machtsverhoudingen omgekeerd: het CDA van Dries van Agt (1931) was de grootste partij en vormde met de PvdA van Den Uyl en D66 een kabinet. Maar het vertrouwen en de wil om samen te werken ontbraken. Nog voor het uitspreken van de regeringsverklaring was er al een breuk. Die kon nog worden gelijmd, maar acht maanden later leed de PvdA grote verliezen bij de Statenverkiezingen en stapte na een conflict over bezuinigingen uit het kabinet.
Lubbers III (1989 – 1994)
Nadat het CDA het grootste deel van de jaren tachtig zonder de PvdA kon regeren, moest Ruud Lubbers (1939) in 1989 wel weer naar de sociaaldemocraten kijken. Er waren vanaf het begin al weer veel spanningen, omdat het kabinet gedwongen was te bezuinigen. Vooral rond de WAO liepen de emoties hoog op. Lubbers dreigde zelfs met aftreden als er niks gebeurde, terwijl de PvdA juist niet wilde snijden in de sociale zekerheid. Er kwam een voorstel dat de PvdA weghoonde. De coalitie leek te klappen, maar Lubbers zette alles op alles om de PvdA met een nieuw WAO-voorstel te overtuigen. Het kabinet bleef aan, maar zowel CDA als PvdA verloor flink bij de verkiezingen van 1994. De twee partijen zouden niet meer samen regeren tot het aantreden van Balkenende IV in 2007.



3
Interessante
Reacties
Dat het kabinet twee dagen later zou vallen, had ook hij niet voorspeld. Maar dát er opnieuw een kabinet van CDA en PvdA voortijdig is gesneuveld, verbaast Wiegel niet. Niet alleen omdat het onderlinge vertrouwen van de laatste coalitie onvoldoende was, het past ook opvallend goed in een historische reeks. „Professor Oud zei het al tijdens het laatste kabinet Drees. De confessionelen en de sociaaldemocraten gaan moeizaam samen. Van mekaar meugen ze niet, met mekaar deugen ze niet.”