Tegenpartijen in Amsterdam en Haarlem

Niet iedereen was blij met de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen in 1917 en voor vrouwenkiesrecht in 1919, noch met de daaraan verbonden stemplicht. Zeker de anarchisten niet. Ze richtten de 'tegenpartijen' Rapaille Partij en Anti Stemdwang Partij op, die zetels haalden in de gemeenteraad van Amsterdam en Haarlem.

Ansicht van Rapaille

Rapaille partij

In 1921 richtte een aantal Amsterdamse anarchisten de Rapaille Partij op om deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam. Een van de bekendste van hen was de kunstenaar Erich Wichmann. Ze wilden protesteren tegen de stemplicht en de parlementaire democratie belachelijk maken. Daar slaagden ze glansrijk in.

Hadjememaar

Het succesvolle geheime wapen van de partij was de van straat geplukte alcoholistische zwerver Cornelis van Gelder, met de bijnaam Hadjememaar (ook wel: Hadt-je-me-maar). Hij werd lijsttrekker van de Rapaille Partij, ging op campagne en ijverde voor de belangrijkste punten van de partij 'De jajem [jenever] 5 cent, bier ook vijf cent en vrij visschen in het Vondelpark'.

Twee zetels

De Rapaille Partij kreeg ruim 12.000 stemmen en won in 1921 twee zetels. Maar Hadjememaar zou nooit actief worden in de gemeenteraad. De geschokte autoriteiten pakten de altijd beschonken zwerver op wegens openbare dronkenschap en lieten hem voor onbepaalde tijd in een rijksinrichting opnemen. De eerste zetel was daarom altijd leeg. De tweede zetel werd ingenomen door de anarchist Hubertus Zuurbier, die er volgens de overlevering vaak was, maar zeer zelden sprak.

Anti Stemdwang Partij

Na de zetelwinst voor de Rapaille Partij in Amsterdam in 1921 was er nog weinig succes voor dit soort partijen. In 1927 was er nog een kleine opleving, toen de Anti Stemdwang Partij met één zetel in de gemeenteraad van Haarlem kwam. Lijsttrekker George Oversteegen voerde zingend campagne tegen het parlementaire stelsel en de opkomstplicht. Het belangrijkste programmapunt was vrij stropen in de duinen.

Ergernis en vrolijkheid

Eenmaal in de Haarlemse gemeenteraad stemde Oversteegen zelden mee, om zijn minachting voor het systeem te laten blijken. Hij diende ook nogal aparte voorstellen in die geen steun kregen. Daarnaast provoceerde hij de gemeenteraad met allerlei acties, die zowel ergernis als vrolijkheid opriepen. Na een paar jaar ging Oversteegen zich gedragen als een normaal gemeenteraadslid, wat zijn achterban niet waardeerde. In 1929 stapte hij met zetel over naar de Communistische Partij Holland (CPH).